gewinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·win·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gewinnen
gewon
gewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

gewinnen

  1. overgankelijk verkrijgen, vooral in godsdienstige zin
    • Ik acht alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus, opdat ik Christus mag gewinnen.[1] 
  2. archaisch/bijbels: het krijgen van een nakomeling

Zelfstandig naamwoord

gewinnen

  1. ongewoon: meervoud van gewin
    • Vrijgezels, welker inkomsten en gewinnen niet zo hoog zijn dat zij onder de classen zijn begrepen, zullen contribueeren op den voet zo als in de classen is bepaald, te weten 1/4 gedeelten van hunne verdienst of inkomst, den tienden penning -- Nieuw plan van belasting voor het Friesche volk.[2] 

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders
60 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Preek 2004
  2. Verzaameling van placaaten, missiven resolutien enz door het provinciaal bestuur van Friesland, 28 junij - 8 november 1796