gewinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·win·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gewinnen
gewon
gewonnen
klasse 3 volledig

Werkwoord

gewinnen

  1. overgankelijk verkrijgen, vooral in godsdienstige zin
    • Ik acht alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus, opdat ik Christus mag gewinnen.[1] 
  2. overgankelijk archaisch/bijbels: als nageslacht krijgen
    • En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen; [2]

Zelfstandig naamwoord

gewinnen

  1. ongewoon: meervoud van gewin
    • Vrijgezels, welker inkomsten en gewinnen niet zo hoog zijn dat zij onder de classen zijn begrepen, zullen contribueeren op den voet zo als in de classen is bepaald, te weten 1/4 gedeelten van hunne verdienst of inkomst, den tienden penning -- Nieuw plan van belasting voor het Friesche volk.[3] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Eerste gewin is kattengespin
initiële winst kan zo weer zijn verloren
  • Goed begonnen is half gewonnen
een goed begin is het halve werk

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders
60 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Preek 2004
  2. Genesis 17:20 in: Statenvertaling op website: statenvertaling.net; geraadpleegd 2017-12-16
  3. Verzaameling van placaaten, missiven resolutien enz door het provinciaal bestuur van Friesland, 28 junij - 8 november 1796