wennen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wen·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wennen
wende
gewend
zwak -d volledig

Werkwoord

wennen

  1. gewoon worden, vertrouwd raken
    • Hij moest wennen aan de nieuwe opzet van het systeem. 
  2. vetrouwd maken
    • Hij wende zijn hond geleidelijk aan zijn nieuwe omgeving. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

wennen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen