omkieperen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kie·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omkieperen
kieperde om
omgekieperd
zwak -d volledig

Werkwoord

omkieperen

  1. overgankelijk omverwerpen zodat de inhoud vrijkomt
    • De baldadige jongens kieperden alle vuilnisbakken om. 
  2. ergatief omvergaan zodat de inhoud vrijkomt
    • De vuilnisbakken waren allemaal omgekieperd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.