gok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gok
Woordherkomst en -opbouw
  • [1], [2]: via Bargoens en Jiddisch (zchok) “plezier, spel” van Hebreeuws  צְחוֹק zn  (tschok) "gelach, plezier", in de betekenis van “(kans)spel”, aangetroffen begin 20e eeuw (zie vindplaats hieronder)
  • [3]: herkomst onzeker, mogelijk (oorspronkelijk) Rotterdams, voor het eerst aangetroffen in 1948 [1] [2]
    Een verkorte vorm van kokkerd “iets groots, grote neus” (met dissimilatie van k .... k > g ... k) ?
enkelvoud meervoud
naamwoord gok gokken
verkleinwoord gokje gokjes

Zelfstandig naamwoord

gok m

  1. (verouderd) (Jiddisch-Hebreeuws) een zeker kansspel, vooral met dobbelstenen
     Het Gok-spel op de Wandelpier. Er wordt zwaar gegokt op de wandelpier, Riep een Kam er groepje met heel veel getier[3]
     kerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak,[4]
     Maar Jan Voetlicht verklaarde, ondanks het gevaar waarin de jongens verkeerden, dat alles moest wijken voor de chaske, den gok en den bik.[5]
  2. een keuze zonder het juiste antwoord te weten
     Maar zoo heeft Lange Willem het ook weer niet bedoeld. Als ze allemaal meedoen, dan zal hij niet mankeeren. Zoo is Lange Willem niet! Het blijft alleenig een gok, as je dat maar weet.[6]
    • Het was een gok, maar ik heb toch het juiste antwoord gekozen. 
  3. een buitensporig grote neus
     Zijn neus (die van den Amsterdammer) is zijn snuffer, een aardig beeldend woord, of zijn voorgevel, scheg, kokkel, gok en bom, vooral als het voorwerp wat groot van stuk is.[7]
    • Je zal toch met zo'n gok gezegend zijn... 
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gokken

gok

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
    • Ik gok. 
  2. gebiedende wijs van gokken
    • Gok! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gokken
    • Gok je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[8]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 11-11-2020 Weblink bron Marc de Coster “Woordenboek van Populair Taalgebruik” (01-11-2020) op ensie.nl
  2. Jo Daan “Hij zeit wat. Grepen uit de Amsterdamse volkstaal” (1948), Jacob van Kampen, De wijze Jacob, Amsterdam
  3. Bronlink geraadpleegd op 11-11-2020 Weblink bron Joco. Het Gok-spel op de Wandelpier in: De ware Jacob op Wikipedia, jrg 1, no. 32 (12-10-1901), Nederlandsche Kiosken- Maatschappij en NV Boek- en Kunstdrukkerij voorheen Henkes en Co., Rotterdam, p. 8 op Delpher.nl op Wikipedia
  4. Bronlink Weblink bron Israël Querido Derde hoofdstuk. in: Menschenwee. Roman van het land, Deel 1. (1903), De erven F. Bohn, Haarlem, p. 88 op dbnl.org op Wikipedia
  5. Bronlink Weblink bron Israël Querido Tiende hoofdstuk. in: De Jordaan: Amsterdamsch epos, Deel 4: Mooie Karel. (1924), Scheltens & Giltay, Amsterdam, p. 298 op dbnl.org op Wikipedia
  6. Bronlink Weblink bron Jan Campert XII in: Die in het donker... (1934), H.P. Leopold, Den Haag, p. 195 op dbnl.org op Wikipedia
  7. Jo Daan “Hij zeit wat. Grepen uit de Amsterdamse volkstaal.”, etc.
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be