bedriegen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedriegen bedriegend
bedrog bedrogen
bedrieger bedrieglijk
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drie·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van een niet langer bestaand werkwoord *driegen met het voorvoegsel be-. [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedriegen
/bə.'dri.ɣə(n)/
bedroog
/bə.'drox/
bedrogen
/bə.'dro.ɣə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

bedriegen

  1. (overgankelijk) iemand met kwade opzet in de waan brengen, misleiden
    De handelaar bedroog zijn klanten.
  2. (overgankelijk) ontrouw zijn aan
    De ontrouwe man bedroog zijn echtgenote.
  3. bedrogen uitkomen: je krijgt niet wat je verachtte
    Als je dacht hier rijk te zullen worden kom je bedrogen uit.
Verwante begrippen
Anagrammen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl