tanga

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tan·ga
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘zeer klein zwembroekje, slipje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord tanga tanga's
verkleinwoord tangaatje tangaatjes

Zelfstandig naamwoord

tanga v/m

  1. hoog uitgesneden slip (onderbroek)
  2. één honderdste van de roebel van Tadzjikistan, die tot 2000 werd gebruikt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Catalaans

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga


Engels

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. tanga


Kiribatisch

Werkwoord

tanga

  1. toegeven; toestaan / erkennen
  2. verlaten; weggaan (van) / in de steek laten, laten vallen
  3. niet in de mogelijkheid zijn om zich te verweren, niet bestendig zijn


Noors

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. tanga


Portugees

enkelvoud meervoud
tanga tangas

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga


Spaans

enkelvoud meervoud
tanga tangas

Zelfstandig naamwoord

tanga v

  1. tanga

Werkwoord

vervoeging van
tangar

tanga

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van tangar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van tangar


Tagalog

Zelfstandig naamwoord

tanga

  1. dwaas

Bijvoeglijk naamwoord

tanga

  1. dom
  2. lichtgelovig