hamer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·mer
enkelvoud meervoud
naamwoord hamer hamers
verkleinwoord hamertje hamertjes

Zelfstandig naamwoord

hamer m

  1. (gereedschap) werktuig dat kan worden gebruikt om te slaan
    Hij probeerde met de hamer hard op de spijker te slaan, maar raakte per ongeluk zijn duim.
  2. (anatomie) één van de gehoorsbeentjes in het oor
    De hamer heeft een belangrijke functie bij het overdragen van geluid in het oor.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Iets onder de hamer brengen.

  • Iets veilen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hameren

hamer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
    Ik hamer.
  2. gebiedende wijs van hameren
    Hamer!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hameren
    Hamer je?

Meer informatie