Naar inhoud springen

pince

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pince     la pince     pinces     les pinces  

pince v

  1. (gereedschap) tang
  2. (spreektaal) hand, tengel
    «On s'est serré la pince et on a foutu le camp.»
    We gaven elkaar een poot en gingen er vandoor. [1]
  3. (spreektaal) gierigaard, vrek [1]
vervoeging van
pincer

pince

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van pincer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van pincer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van pincer