ring

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ring ringen
verkleinwoord ringetje ringetjes

Zelfstandig naamwoord

ring m

  1. (sieraden) een cirkelvormig sieraad voor om de vinger
    • Hoe vaak draagt u uw ring? 
  2. een cirkelvormig voorwerp.
    • De ringen van Saturnus zijn indrukwekkend. 
  3. (sport) een plaats waar gestreden wordt
    • Hij kwam de ring in en werd toegejuicht. 
  4. een gebied waar bestuurd wordt.
    • Hij woont in die ring op de kaart. 
  5. (verkeer) een rondweg.
    • Bij de volgende ring gaan we rechtsaf. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] cirkelvormig sieraad voor om de vinger

  • Eruitzien om door een ringetje te halen
Er heel netjes uitzien
  • De ring van Gy­ges hebben
Alles voor elkaar kunnen krijgen wat men maar wil[3]

[3] plaats waar gestreden wordt

  • De handdoek in de ring werpen (gooien)
De strijd opgeven
Spreekwoorden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ringen

ring

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
    • Ik ring. 
  2. gebiedende wijs van ringen
    • Ring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
    • Ring je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to  ring 
he/she/it  rings 
verleden tijd  ringed 
voltooid
deelwoord
 ringed 
onvoltooid
deelwoord
 ringing 
gebiedende wijs  ring 

Werkwoord

ring

  1. (telecommunicatie) bellen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ring

Zelfstandig naamwoord

ring m

  1. (sport) ring, boksring
  2. (België) ringweg


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ring

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
ring ring

ring m

  1. (sport) ring, boksring