ring

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ring ringen
verkleinwoord ringetje ringetjes

Zelfstandig naamwoord

ring m

  1. een cirkelvormig sieraad voor om de vinger.
    • Hoe vaak draagt u uw ring? 
  2. een cirkelvormig voorwerp.
    • De ringen van Saturnus zijn indrukwekkend. 
  3. een plaats waar gestreden wordt.
    • Hij kwam de ring in en werd toegejuigd. 
  4. een gebied waar bestuurd wordt.
    • Hij woont in die ring op de kaart. 
  5. een rondweg.
    • Bij de volgende ring gaan we rechtaf. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

de handdoek in de ring werpen (gooien)

  • opgeven
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
ringen

ring

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
    • Ik ring. 
  2. gebiedende wijs van ringen
    • Ring! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
    • Ring je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
vervoeging
onbepaalde wijs to ring
he/she/it rings
verleden tijd ringed
voltooid
deelwoord
ringed
onvoltooid
deelwoord
ringing
gebiedende wijs ring

Werkwoord

ring

  1. bellen