opbellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbellen
belde op
opgebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

opbellen

  1. overgankelijk iemand ~: iemand telefonisch proberen te bereiken
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.