rang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rang
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Franse rang (1584) van reng (12e eeuw): "kring der rechtspersonen bij een geding", zelf weer afkomstig van het Frankische *hring (ring) [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord rang rangen
verkleinwoord rangetje rangetjes

Zelfstandig naamwoord

rang m

  1. een plaats binnen een bepaalde hiërarchie
    • Hij had een vrij hoge rang. 
  2. (wiskunde) het maximale aantal lineair onafhankelijke vectoren in een stelsel
    • De rang van de matrices AAT en ATA is hetzelfde en beperkt door de kleinere van de twee. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl