omringen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·rin·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omringen
omringde
omringd
zwak -d volledig

Werkwoord

omringen

  1. overgankelijk aan alle kanten omgeven
    • Hij werd omringd door zijn vijanden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.