staak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • staak

Werkwoord

vervoeging van
staken

staak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staken
    • Ik staak. 
  2. gebiedende wijs van staken
    • Staak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van staken
    • Staak je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.