branden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brand
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
branden
brandde
gebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

branden

  1. absoluut verteerd worden door vuur
    • De kaars brandde de hele nacht 
  2. overgankelijk aan vuur blootstellen, roosteren
    • De koffie werd er vrij licht gebrand. 
  3. overgankelijk als brandstof gebruiken
    • De olie die daar gebrand wordt, stinkt. 
  4. verwonding door hoge temperatuur
    • Hij heeft zijn handen gebrand. 
  5. aan zijn (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
    • De ledlamp brandt zonder warm te worden. 
    • De elektrische kachel brandt op maximale kracht. 
  6. een nieuwe CD of DVD maken
    • Kun je een illegale kopie branden van deze nieuwe film? 
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Branden als een fakkel
zeer fel branden
  • Branden als een lier
een heel erg hevige brand
  • Bang zijn zich aan koud water te branden
erg voorzichtig zijn
  • Ergens op gebrand zijn
iets heel erg fijn vinden en ernaar streven
  • Zijn vingers branden
ergens mee bemoeien en daardoor zelf in moeilijkheden komen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den
Naar frequentie 4778

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. genitief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van brand


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den
Naar frequentie 194651

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van brande


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van brande


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den
Naar frequentie 4747

Zelfstandig naamwoord

branden

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van brand