branden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord brand
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
branden
brandde
gebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

branden

  1. (absoluut) verteerd worden door vuur
    De kaars brandde de hele nacht
  2. (overgankelijk) aan vuur blootstellen, roosteren
    De koffie werd er vrij licht gebrand.
  3. (overgankelijk) als brandstof gebruiken
    De olie die daar gebrand wordt, stinkt.
  4. verwonding door hoge temperatuur
    Hij heeft zijn handen gebrand.
  5. aan zijn (van wat in het verleden gepaard ging met vuur)
    De ledlamp brandt zonder warm te worden.
    De elektrische kachel brandt op maximale kracht.
  6. een nieuwe CD of DVD maken
    Kun je een illegale kopie branden van deze nieuwe film?
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Vertalingen


Deens

Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand


Noors

Woordafbreking
  • bran·den
Naar frequentie 20912

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brande


Nynorsk

Woordafbreking
  • bran·den

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brand

Zelfstandig naamwoord

branden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van brande