stel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stel stellen
verkleinwoord stelletje stelletjes

Zelfstandig naamwoord

stel o

  1. klein aantal bij elkaar passende voorwerpen of personen die samen een geheel vormen
    • Wat een knap stel, die twee! 
     Met mijn 43 jaar was ik duidelijk de oudste van het stel, de rest leek ergens tussen de twintig en vijfentwintig.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Voegwoord

stel dat

  1. verondersteld dat
    • Stel dat ik ontevreden ben over de afhandeling van mijn klacht. Wat kan ik dan doen? 
Synoniemen
  • aangenomen dat
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stellen

stel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stellen
    • Ik stel. 
  2. gebiedende wijs van stellen
    • Stel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stellen
    • Stel je? 
     Stel je ligt al even op het strand te zweten en je wil een verfrissende duik nemen.[3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "stel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink Weblink bron “Dit moet je weten over een mui, een plek die je de zee in kan sleuren”, NOS-stories
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be