stel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stel stellen
verkleinwoord stelletje stelletjes

Zelfstandig naamwoord

stel o

  1. een tweetal of een klein aantal bij elkaar behorende onderdelen of mensen
    • Wat een knap stel, die twee! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Voegwoord

stel dat

  1. verondersteld dat
    • Stel dat ik ontevreden ben over de afhandeling van mijn klacht. Wat kan ik dan doen? 
Synoniemen
  • aangenomen dat
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stellen

stel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stellen
    • Ik stel. 
  2. gebiedende wijs van stellen
    • Stel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stellen
    • Stel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie