tweetal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • twee·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tweetal tweetallen
verkleinwoord tweetalletje tweetalletjes

Zelfstandig naamwoord

tweetal o

  1. welgeteld twee
    Er is een tweetal redenen om dit niet te doen.
  2. een groep van twee
    Het vrolijke tweetal liep lachend weg.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.