paren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ren

Zelfstandig naamwoord

paren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord paar


Werkwoord

paren [1] [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paren
paarde
gepaard
zwak -d volledig
  1. samen met iets anders een paar vormend
     De chique, ruime schrijftafel van ebbenhout, die stijlvol was ingelegd met lichtere houtsoorten, die voor het raam was geplaatst naast de openslaande deuren naar het terras en die gepaard was aan een sobere maar degelijke en comfortabele houten bureaustoel uit de jaren dertig, had ik al meteen bij binnenkomst opgemerkt.[3]
  2. (biologie) seksuele gemeenschap hebben
     Een reusachtige oranjetip schiet er tussendoor en aan de overkant gebeurt ook iets. Daar heeft een zwart-witte page een vrouwtje gevonden om mee te paren. Beide vlinders zijn klaar om een nieuwe generatie te stichten.[4]
Synoniemen
Anagrammen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. paren op website: Etymologiebank.nl
  3. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 18
  4. Bronlink Weblink bron Kees van Reenen “Vlinders in het regenwoud? Dat is genieten” (23-08-2019), Reformatorisch Dagblad

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
parar

paren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parar
vervoeging van
parir

paren

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van parir
Anagrammen