enige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eni·ge

Bijvoeglijk naamwoord

enige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van enig
    • Wat een enige bloemen zijn dat. 

Onbepaald hoofdtelwoord

enige (indien vergezeld van een telbaar zelfstandig naamwoord)

  1. een vrij klein aantal
    • Enige bewoners van ons flatgebouw hebben daar bezwaar tegen gemaakt. 
Vertalingen

Onbepaald voornaamwoord

enige (indien niet vergezeld van een telbaar zelfstandig naamwoord)

  1. een vrij klein aantal
    • Enige hoeveelheden zand werden voor ons flatgebouw achtergelaten. 
enkelvoud meervoud
naamwoord enige enigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

enige v/m o

  1. degene die uniek is in een bepaald opzicht
    • Jullie zijn de enigen die daarin geslaagd zijn. 
  2. datgene dat uniek is in een bepaald opzicht
     Maar er moest ergens iets fout zijn gegaan, aangezien de hele gietvorm van de brugoverspanning in de slotfase was ingestort. Dat was het enige wat met zekerheid kon worden gezegd.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Deens

Woordafbreking
  • e·ni·ge
Naar frequentie 2012

Bijvoeglijk naamwoord

enige, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van enig

enige, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van enig


Noors

Woordafbreking
  • e·ni·ge
Naar frequentie 1727

Bijvoeglijk naamwoord

enige, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van enig

enige, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van enig