oma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oma
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘grootmoeder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord oma oma's
verkleinwoord omaatje omaatjes

Zelfstandig naamwoord

oma v

  1. (familie) de moeder van een ouder
Synoniemen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • oma
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

oma

  1. (spreektaal), (familie) oma, grootmoeder
Synoniemen
Antoniemen