grootma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groot·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grootma grootma's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grootma v

  1. een vrouw die een kleindochter of kleinzoon heeft. Dit kan een kind zijn van haar zoon of van haar dochter. De moeder van een van je ouders
    • Nu wachtte ik elke dag Vaders antwoord op mijn brief. Als de post belde, rende ik Christien al tegemoet. Er kwam maar steeds geen brief van Vader. Grootma keek me soms onderzoekend aan, maar ze vroeg niets. Op een middag, toen Grootma rustte en ik bij Maatje zat, die probeerde me de beginselen van het kantklossen bij te brengen, kwam Christien binnengeschreden met de post op het bekende zilveren blaadje. Maatje nam de brieven er af. Ik wuifde naar Christien, die haar middel bewoog. [2] 
Synoniemen

Meer informatie

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. grootma op website: Etymologiebank.nl
  2. (ca. 1926)–Cissy van Marxveldt De stormers