lest

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lest
Woordherkomst en -opbouw

[1]

stellend
onverbogen lest
verbogen leste

Bijvoeglijk naamwoord

lest

  1. (verouderd) laatst
    • Wie kwam het lest binnen? 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • lest best
de laatste die ook gelijk de beste is
  • ten langen leste
na zeer lange tijd, uiteindelijk dan toch
  • lest lacht, best lacht
wie het laatst lacht, lacht het best
  • lest heugt best
het laatste herinnert men zich het beste

Werkwoord

vervoeging van
lessen

lest

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
    • Jij lest. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
    • Hij lest. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van lessen
    • Lest! 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders
40 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


IJslands

[6]: Lest
Een train
Uitspraak
issterk-f2 enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   lest     lestin     lestir     lestirnar  
genitief   lestar     lestarinnar     lesta     lestanna  
datief   lest     lestinni     lestum     lestunum  
accusatief   lest     lestina     lestir     lestirnar  

Zelfstandig naamwoord

lest, v

  1. karavaan
  2. last
  3. reeks, serie
  4. (eenheid), (meetkunde) ton (1 ton = 1.000 kg)
  5. (scheepvaart) laadruim
  6. (techniek), (verkeer) trein
Synoniemen
Typische woordcombinaties
  • taka lestina
met de trein gaan

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Zelfstandig naamwoord

lest

  1. datief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van lest

lest

  1. accusatief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van lest


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • lest

Werkwoord

lest

  1. voltooid deelwoord van lese (betekenis [A])

Werkwoord

lest

  1. verouderde spelling of vorm van less van vóór 2005
(verouderd) onbepaalde wijs (betekenis [B])


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

lest v

  1. list
Verwante begrippen