past

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • past

Werkwoord

vervoeging van
passen

past

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    • Jij past. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
    • Hij past. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van passen
    • Past! 


Engels

Uitspraak

Voorzetsel

past

  1. voorbij
enkelvoud meervoud
past pasts

Zelfstandig naamwoord

past

  1. verleden
  2. (grammatica) verleden tijd