bejagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ja·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van jagen met het voorvoegsel be-

Werkwoord

bejagen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bejagen
bejaagde
bejoeg
bejaagd
klasse 6

zwak -d

volledig
  1. het jacht maken op iets of iemand
    • Annie neemt geen blad voor de mond. ‘Wilde zwijnen moet je bejagen, anders staan ze straks nog op het Binnenhof’. ‘De farmaceutische industrie is zo machtig, het lijkt wel op de maffia.’ ‘Als we niet uitkijken hebben we straks in Nederland meer ganzen dan boeren’. ‘Twente is één grote proatmachine’. ‘Er ligt in Europa 215 miljard subsidiegeld op de planken, laten we daar gebruik van maken.’ [2] 
    • Volgens Mosley is het erg duur en erg veel werk om de vossen te bejagen tot ze weg zijn uit de stad. De publieke opinie is volgens hem ook sterk verdeeld tussen ongeveer 50 procent voorstanders en de andere helft tegenstanders van uitroeiing van de dieren, die op veel plekken sinds jaar en dag dicht bij mensen leven. [3] 
    • Stropers bejagen de dieren voor hun vlees en huiden. Ook de aanwezigheid van rebellengroepen en illegale mijnbouw in hun leefgebied doen de soort geen goed. [4] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen