chasser
Uiterlijk
- via Oudfrans chacier van een Laatlatijnse vorm captiare, gevormd via het voltooid deelwoord captus van capere "nemen, vangen" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| chasser |
chassais |
chassé |
| eerste groep | volledig | |
chasser
- onovergankelijk jagen
- overgankelijk verjagen
- overgankelijk jacht maken op
- overgankelijk verdrijven
- onovergankelijk, (transport) slippen [2]
- overgankelijk, (scheepvaart) krabben [2]
- onpersoonlijk, (Belgisch Frans) tochten
- ↑ chasser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 7
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Werkwoord in het Frans
- Onovergankelijk werkwoord in het Frans
- Overgankelijk werkwoord in het Frans
- Transport in het Frans
- Scheepvaart in het Frans
- Onpersoonlijk werkwoord in het Frans