jacht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jacht
Woordherkomst en -opbouw
2 enkelvoud meervoud
naamwoord jacht jachten
verkleinwoord (jachtje) (jachtjes)
1 enkelvoud meervoud
naamwoord jacht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

jacht

  1. v/m het achtervolgen van wild
    • Liefhebbers van de jacht op groot wild hadden vaak als eersten oog voor het belang van natuurbescherming. 
  2. v/m (figuurlijk) het achtervolgen van misdadigers door de politie
  3. o (scheepvaart) een snel vaartuig
    1. (verouderd) een snel bewapend vaartuig voor verkenning
    2. een sportvaartuig
    3. een pleziervaartuig
    • Te Vlissingen lag er een jachtje bereid om naar Oost-Indië te varen.
      Op de voorplecht stond er een cupido die er speelde op zijn vergulde snaren.
       
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: de jacht naar de moordenaar
het verzoek door de politie, een moordenaar te vinden en te arresteren
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Werkwoord

vervoeging van
jachten

jacht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van jachten
  2. gebiedende wijs van jachten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Hongaars

Zelfstandig naamwoord

jacht

  1. (scheepvaart) jacht