Naar inhoud springen

opjagen

Uit WikiWoordenboek
  • op·ja·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opjagen
jaagde op
joeg op
opgejaagd
klasse 6

zwak -d
gemengd

volledig

opjagen

  1. overgankelijk uit zijn schuilplaats verdrijven
  2. overgankelijk, wederkerend gestresst maken, gek maken, iemand zich (nodeloos) doen haasten onder druk
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]