slepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
slepen slepend
sleep gesleept
Uitspraak
Woordafbreking
  • sle·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slepen
sleepte
gesleept
zwak -t volledig

Werkwoord

slepen

  1. overgankelijk trekkend over de grond of het wateroppervlak verplaatsen
    • De panter sleepte zijn prooi naar een boom en hees de antilope op een tak. 
  2. wederkerend zich ~ moeizaam voortbewegen
    • De verwonde voetganger sleepte zich naar de kant van de weg. 
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iets in de wacht slepen
iets bemachtigen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slijpen

slepen

  1. meervoud verleden tijd van slijpen
    • Wij slepen. 
    • Jullie slepen. 
    • Zij slepen. 

Zelfstandig naamwoord

slepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord sleep

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Meer informatie