lenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lenen
/ˈlenə(n)/
leende
/ˈlendə/
geleend
/ɣəˈlent/
zwak -d volledig

Werkwoord

lenen

  1. iets tijdelijk gebruiken wat niet van jou is, dikwijls in ruil voor een kleine vergoeding [2]
    • Het boek dat jullie lenen van Jan, wil hij over een week weer terughebben. 
  2. zich ~ tot/voor; mogelijk maken
    • Het weer leent zich vandaag voor een wandeling. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

lenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord leen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen