zwerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwerk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hemel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord zwerk -
verkleinwoord zwerkje -

Zelfstandig naamwoord

zwerk o

  1. drijvende wolken
    • Het zwerk kwam naar onze richting. 
  2. uitspansel, hemel
    • Vanaf de Eiffeltoren heeft men een goed uitzicht op het zwerk. 

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen