Naar inhoud springen

hemelen

Uit WikiWoordenboek
  • he·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hemelen
hemelde
geheeld
zwak -d volledig [A]

[A] hemelen

  1. inergatief (dichterlijk) in de lucht opstijgen
  2. inergatief (figuurlijk) verblijven op een verheven plaats
  3. inergatief (figuurlijk) zich naar het hiernamaals verplaatsen
  4. inergatief (figuurlijk) paradijselijke verrukking beleven
  5. overgankelijk (dichterlijk) in de lucht doen opstijgen
  6. overgankelijk (figuurlijk) een plaats in het paradijs bezorgen
  7. overgankelijk (figuurlijk) heel erg prijzen, overdreven positief beschrijven
  8. overgankelijk (figuurlijk) in paradijselijke verrukking brengen
  9. overgankelijk van een overkapping voorzien

de[A] hemelenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hemel (plechtig)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hemelen
hemelde
geheeld
zwak -d volledig [B]

[B] hemelen

  1. overgankelijk verplaatsen naar een plek waar het niet meer zichtbaar is
97 %van de Nederlanders;
93 %van de Vlamingen.[3]