hagel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gel
enkelvoud meervoud
naamwoord hagel -
verkleinwoord hageltje hageltjes

Zelfstandig naamwoord

hagel m

  1. (meteorologie) bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
    Er is vandaag een vijf centimeter dikke laag hagel gevallen.
  2. een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
    Schiet gewoon met hagel.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Zweeds

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse zelfstandige naamwoord hagl, dat van het Protogermaanse woord *haglaz (hagel)
Naar frequentie 17630
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hagel     haglet     hagel     haglen  
genitief   hagels     haglets     hagels     haglens  

Zelfstandig naamwoord

hagel, o

  1. (meteorologie) hagel, bolvormig ijs dat als neerslag uit de hemel valt
  2. (meteorologie) een weertype waarbij het hagelt
    «Kort stund efter kom en blandning av snö och hagel
    Kort daarna kwam een mengsel van sneeuw en hagel.
  3. hagel, een verzameling van stukjes metaal -vaak lood- waarmee geschoten wordt in plaats van een kogel
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Zelfstandig naamwoord

hagel

  1. nominatief onbepaald onzijdig meervoud van hagel