hagelbui

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gel·bui
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hagelbui hagelbuien
verkleinwoord hagelbuitje hagelbuitjes

Zelfstandig naamwoord

hagelbui v/m

  1. een bui met hagel
    • De hagelbui zorgde voor veel vernieling aan de jonge gewassen. 
    • Het weer in Twente en de Achterhoek kan de komende dagen onstuimig worden: er zijn stevige buien, harde windvlagen en broeierige temperaturen op komst. De temperaturen kunnen oplopen tot bijna 30 graden en er is zelfs kans op een lokale hagelbui. ,,Er kunnen overal stevige buien vallen.’’ [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen