hagelbössa

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·gel·bös·sa
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 24420
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hagelbössa     hagelbössan     hagelbössor     hagelbössorna  
genitief   hagelbössas     hagelbössans     hagelbössors     hagelbössornas  

Zelfstandig naamwoord

hagelbössa, g

  1. (jachttaal) hagelgeweer, korte jachtbuks
    «Han hade skjutit sig i huvudet med en hagelbössa
    Hij had zichzelf met een hagelgeweer in zijn hoofd geschoten.
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Meer informatie