graven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gra·ven
Woordherkomst en -opbouw
  • Germaans erfwoord: *graban.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
graven
groef
gegraven
klasse 6 volledig

Werkwoord

graven

  1. (overgankelijk) een gat in de grond maken met de handen of met een graafwerktuig
    Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

graven mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord graf
  2. meervoud van het zelfstandig naamwoord graaf


Engels

stellend vergrotend overtreffend
graven - -

Bijvoeglijk naamwoord

graven

  1. gesneden
    «Graven images.»
    Gesneden beelden.


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
graven groef groeven ghegraven
klasse 6 volledig  


Werkwoord

graven

  1. graven
    «Des Manend. na onser Vrouwen dach nat. bi den scepen in Poelstr, in Waterst., in Noerdenberghestr; ende in Engestr. do sie met den straatghenoten ghegraven hadden in der lantweren di den Veelde 22s.[1]»
    Op maandag na de dag van onze Vrouwe bij de schepen in Poelstraat, Waterstraat, Noordenbergestraat en Engestraat, omdat ze met hun straatgenoten in de landweer bij het Veld graafwerk verricht hadden: 22 stuivers.
Verwijzingen
  1. Deventer stadsrekeningen uit 14e eeuw.


Noors

Woordafbreking
  • gra·ven

Zelfstandig naamwoord

graven m

  1. nominatief bepaald enkelvoud van grav
Schrijfwijzen
  • grava v (in de betekenissen: 1. graf, 2. geul, 3. gracht ..., 4. kuil)