groef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De linker plank met groef, de rechter plank met messing of veer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groef
enkelvoud meervoud
naamwoord groef groeven
verkleinwoord groefje groefjes

Zelfstandig naamwoord

groef v/m

  1. lange en smalle uitholling, insnijding, diepe rand
    • *In het tafelblad zit een lelijke diepe groef. 
    • *De man had allemaal groeven in zijn gezicht. 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • messing en groef, groef en messing
  • veer en groef, groef en veer
  • de groeven van een grammofoonplaat
  • de groeven in zijn voorhoofd
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
graven

groef

  1. enkelvoud verleden tijd van graven
    • Ik groef. 
    • Jij groef. 
    • Hij, zij, het groef. 

Werkwoord

vervoeging van
groeven

groef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeven
    • Ik groef. 
  2. gebiedende wijs van groeven
    • Groef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van groeven
    • Groef je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.