zonecht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·echt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zonecht zonechter zonechtst
verbogen zonechte zonechtere zonechtste
partitief zonechts zonechters -

Bijvoeglijk naamwoord

zonecht

  1. bestand tegen de blekende werking van zonlicht
    • Een vlag moet met zonechte kleuren voorzien zijn. 

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.