heus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heus
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoffelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1406 [1]
  • Via het Middelnederlandse heuvisk afgeleid van hof.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen heus heuser heust
verbogen heuse heusere heuste
partitief heus heusers -

Bijvoeglijk naamwoord

heus

  1. hoffelijk, beleefd
Vertalingen

Bijwoord

heus

  1. werkelijk, echt
    • Dat gebeurt heus niet! 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen