directeur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·rec·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord directeur directeuren
directeurs
verkleinwoord directeurtje directeurtjes

Zelfstandig naamwoord

directeur m

  1. (beroep) baas van een organisatie
    • We moesten eerst goedkeuring aan de directeur vragen. 
    • Mevrouw Maillard had maar één zoon en ze had veel bewondering voor directeuren. Dus zag ze Albert al als directeur van een bank, en reken maar dat ze meteen enthousiast was en ervan overtuigd was dat hij zich 'met zijn intelligentie' rap naar de top zou opwerken. [4] 
  2. een parmantig persoon
    • Mijn neefje was al een echte directeur. 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   directeur     le directeur     directeurs     les directeurs  
vrouwelijk   directrice     la directrice     directrices     les directrices  

Zelfstandig naamwoord

directeur m

  1. directeur, iemand die leiding geeft aan een organisatie
Overerving en ontlening