directeur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·rec·teur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord directeur directeuren
directeurs
verkleinwoord directeurtje directeurtjes

Zelfstandig naamwoord

directeur m

  1. (beroep) de hoogste persoon bij een bedrijf, school, inrichting, onderneming etc.
    We moesten eerst goedkeuring aan de directeur vragen.
  2. een parmantig persoon
    Mijn neefje was al een echte directeur.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl