bestuurder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stuur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bestuurder bestuurders
verkleinwoord bestuurdertje bestuurdertjes

Zelfstandig naamwoord

bestuurder m

  1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
    • De bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg. 
  2. (beroep) een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    • De bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest en besloot daarom maar om zijn salaris te verhogen 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie