bestuurder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·stuur·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bestuurder bestuurders
verkleinwoord bestuurdertje bestuurdertjes

Zelfstandig naamwoord

bestuurder m

  1. een persoon die een voertuig of andere machine bestuurt
    • De bestuurder verloor de macht over het stuur en raakte van de weg. 
    • Een vrachtwagenchauffeur heeft zijn dak eraf gereden bij de Stationstunnel in Den Bosch. De wagen was te hoog om door de tunnel te rijden, maar daar kwam de bestuurder te laat achter. Het zou om een jonge chauffeur gaan die pas net zijn vrachtwagenrijbewijs heeft, maar het bedrijf uit Elshout waar de vrachtwagen van is wil niet verder op details ingaan. [1] 
  2. (beroep) een persoon die een bedrijf of organisatie leiding geeft
    • De bestuurder wist niet meer wat hij met de situatie aanmoest en besloot daarom maar om zijn salaris te verhogen 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen