cross

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • cross
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse zelfstandige naamwoord crux.
stellend vergrotend overtreffend
cross crosser crossest

Bijvoeglijk naamwoord

cross

  1. balorig, boos, geërgerd, kregel, kwaad, nijdig, tegenwerkend, toornig, verstoord, vertoornd, slechtgehumeurd
Afgeleide begrippen
Naar frequentie 1343 werkwoord
vervoeging
onbepaalde wijs to cross
he/she/it crosses
verleden tijd crossed
voltooid
deelwoord
crossed
onvoltooid
deelwoord
crossing
gebiedende wijs cross

Werkwoord

cross

  1. (overgankelijk) kruisen
    «Those two roads do not cross anywhere.»
    Die twee wegen kruisen elkaar nergens.
  2. (overgankelijk) doorkruisen
  3. (overgankelijk) oversteken (straat, rivier)
    «He crossed the street.»
    Hij stak de straat over.
  4. (overgankelijk) dóórtrekken
    «They were crossing the Sahara when disaster struck.»
    Ze waren bezig de Sahara door te trekken toen er een ramp gebeurde.
  5. (overgankelijk) kwaad maken, dwarsbomen
    «You'll rue the day you tried to cross me, Tom Hero!" bellowed the villain.»
    "Je zult de dag berouwen dat je getracht hebt me te dwarsbomen, Tom Hero" brulde de schurk.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • to cross (one's) mind
  • to cross (someone's) palm
  • to cross paths
  • to cross swords
Naar frequentie 1343 zelfstandig naamwoord
enkelvoud meervoud
cross crosses

Zelfstandig naamwoord

cross

  1. kruis
  2. kruising
  3. kruisteken