cross

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cross
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord cross crossen
crosses
verkleinwoord crossje crossjes

Zelfstandig naamwoord

cross m [2]

  1. (sport) wedstrijd door open terrein vol natuurlijke hindernissen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • cross
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse zelfstandige naamwoord crux.
stellend vergrotend overtreffend
cross crosser crossest

Bijvoeglijk naamwoord

cross

  1. balorig, boos, geërgerd, kregel, kwaad, nijdig, tegenwerkend, toornig, verstoord, vertoornd, slechtgehumeurd
Afgeleide begrippen
Naar frequentie 1343 werkwoord
vervoeging
onbepaalde wijs to  cross 
he/she/it  crosses 
verleden tijd  crossed 
voltooid
deelwoord
 crossed 
onvoltooid
deelwoord
 crossing 
gebiedende wijs  cross 

Werkwoord

cross

  1. overgankelijk kruisen
    «Those two roads do not cross anywhere.»
    Die twee wegen kruisen elkaar nergens.
  2. overgankelijk doorkruisen
  3. overgankelijk oversteken (straat, rivier)
    «He crossed the street.»
    Hij stak de straat over.
  4. overgankelijk dóórtrekken
    «They were crossing the Sahara when disaster struck.»
    Ze waren bezig de Sahara door te trekken toen er een ramp gebeurde.
  5. overgankelijk kwaad maken, dwarsbomen
    «You'll rue the day you tried to cross me, Tom Hero!" bellowed the villain.»
    "Je zult de dag berouwen dat je getracht hebt me te dwarsbomen, Tom Hero" brulde de schurk.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • to cross (one's) mind
  • to cross (someone's) palm
  • to cross paths
  • to cross swords
Naar frequentie 1343 zelfstandig naamwoord
enkelvoud meervoud
cross crosses

Zelfstandig naamwoord

cross

  1. kruis
  2. kruising
  3. kruisteken