oversteken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·ste·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oversteken
stak over
overgestoken
klasse 4 volledig

Werkwoord

oversteken

  1. ergatief aan de overzijde van iets geraken
    • Zij staken de Beringstraat over. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

oversteken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oversteek

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.