kruising

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruising kruisingen
verkleinwoord kruisinkje kruisinkjes

Zelfstandig naamwoord

kruising v

  1. (verkeer) een punt waar twee of meer wegen samenkomen
    • Op die kruising gebeuren veel ongelukken. 
  2. (sport) de snijpaal van een doelpaal met de lat
    • Hij schoot de bal precies in de kruising. 
  3. een soort bevruchting bij planten en dieren van exemplaren van een soort of ras door exemplaren van een ander ras
    • Door middel van kruising hebben we dit nieuwe soort kunnen maken. 
  4. een door biologische kruising ontstane soort
    • Dankzij biologische kruising is het nieuwe soort een feit! 
  5. een persoon of zaak die bepaalde eigenschappen van twee andere personen of zaken in zich verenigt
    • Dat kind was een kruising tussen zijn moeder en zijn vader. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie