kruising

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kruising kruisingen
verkleinwoord kruisinkje kruisinkjes

Zelfstandig naamwoord

kruising v

  1. (verkeer) een punt waar twee of meer wegen samenkomen
    • Op die kruising gebeuren veel ongelukken. 
  2. (sport) de snijpaal van een doelpaal met de lat
    • Hij schoot de bal precies in de kruising. 
  3. een soort bevruchting bij planten en dieren van exemplaren van een soort of ras door exemplaren van een ander ras
    • Door middel van kruising hebben we dit nieuwe soort kunnen maken. 
  4. soort ontstaan door de paring van twee individuen van verschillende rassen of soorten
    • Dankzij biologische kruising is het nieuwe soort een feit! 
     Tot mijn opluchting zag ik dat het geen jonge beer, maar een grote vrouwtjescoyote was. Een soort kruising tussen een wolf en een vos.[1]
  5. een persoon of zaak die bepaalde eigenschappen van twee andere personen of zaken in zich verenigt
    • Dat kind was een kruising tussen zijn moeder en zijn vader. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be