balorig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·lo·rig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘gemelijk’ voor het eerst aangetroffen in 1637 [1]
  • Samenstelling van bal (kwaad, slecht) en horig, met verlies van de h. De oorspronkelijke betekenis was dus "slecht horend.[2]
  • Samenstellende afleiding van bal (slecht) en oor met het achtervoegsel -ig [3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen balorig baloriger balorigst
verbogen balorige balorigere balorigste
partitief balorigs balorigers -

Bijvoeglijk naamwoord

balorig

  1. niet luisterend, tegendraads, dwars, weerspannig
    • Hij was altijd al een balorige belhamel geweest, maar ditmaal liep het echt de spuigaten uit. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
78 % van de Vlamingen.

Verwijzingen