kruisen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘een kruis doen vormen, snijden’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
  • afgeleid van kruis met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kruisen
kruiste
gekruist
zwak -t volledig

Werkwoord

kruisen [3]

  1. onovergankelijk zich kruiselings heen en weer bewegen
  2. onovergankelijk (scheepvaart) laveren
  3. onovergankelijk zich verplaatsen met gewone snelheid
  4. aan een kruis slaan, kruisigen
  5. overgankelijk kruiselings plaatsen
  6. overgankelijk bevruchting laten plaatsvinden tussen exemplaren van verschillend soort of ras
  7. kruispunt maken
    • De twee rechte lijnen kruisten elkaar in het snijpunt. 
    • Hun blikken kruisten elkaar, Péricourt glimlachte naar hem, een kinderlijke glimlach als voorbereiding op een goede grap. [4] 
  8. snijden, oversteken
     Mijn lichaam moest zich constant aanpassen aan de lange afstanden en mijn nieuwe levensstijl waardoor ik heel snel steeds weer honger had. Het maakte niet uit wat en hoeveel ik at, het leek nooit genoeg te zijn. Gelukkig zou de trail binnenkort een weg kruisen waarlangs ik het legendarische ‘Paradise Café’ kon bereiken.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kruisen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kruis
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen