kruisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kruisen
kruiste
gekruist
zwak -t volledig

Werkwoord

kruisen [2]

  1. (onovergankelijk) zich kruiselings heen en weer bewegen
  2. (onovergankelijk) (scheepvaart) laveren
  3. (onovergankelijk) zich verplaatsen met gewone snelheid
  4. aan een kruis slaan, kruisigen
  5. (overgankelijk) kruiselings plaatsen
  6. (overgankelijk) bevruchting laten plaatsvinden tussen exemplaren van verschillend soort of ras
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

kruisen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kruis
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal