toornig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • toor·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van toorn met het achtervoegsel -ig.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen toornig toorniger toornigst
verbogen toornige toornigere toornigste
partitief toornigs toornigers -

Bijvoeglijk naamwoord

toornig

  1. in woede ontstoken
    • De anders zo rustige man liet zich van zijn toornige zijde zien. 
Synoniemen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.