breken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bre·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
breken
brak
gebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

breken

  1. (ergatief) (algemeen) in stukken uiteenvallen
    De ruit is vanmiddag gebroken.
  2. (ergatief) een doorgang, scheiding forceren
  3. (ergatief) (van de jongensstem) wisselen
    In de puberteit breekt de jongensstem
  4. (ergatief) (natuurkunde) (optica) veranderen van richting van stralen
    licht dat door middel van een prisma afgebogen wordt
  5. (overgankelijk) in stukken uiteen doen vallen
    Vanmiddag brak een hevige windvlaag de ruit van de voorkamer.
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • breken met
Vertalingen