breken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bre·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
breken
brak
gebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

breken

  1. ergatief (algemeen) in stukken uiteenvallen
    • De ruit is vanmiddag gebroken. 
  2. ergatief een doorgang, scheiding forceren
  3. ergatief (van de jongensstem) wisselen
    • In de puberteit breekt de jongensstem 
  4. ergatief (natuurkunde) (optica) veranderen van richting van stralen
  5. overgankelijk in stukken uiteen doen vallen
    • Vanmiddag brak een hevige windvlaag de ruit van de voorkamer. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • breken met
Uitdrukkingen en gezegden
  • De staf over iets/iemand breken
iets/iemand afkeuren
  • Een lans breken voor iemand
het voor iemand opnemen ofwel: voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen
  • Een potje kunnen breken (bij iemand)
iemand wordt niet gauw boos
  • Ergens een lans voor breken
  • Het ijs is gebroken
na een kil begin is men vriendelijk tegen elkaar
  • Iemand kunnen maken en breken
de mogelijkheid hebben te beslissingen over iemands leven en dood en welbevinden
  • Je kan geen omelet maken zonder eieren te breken.
om iets te bereiken moet je kosten maken of moeite doen
  • Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet.
je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaan
  • Men kan geen ijzer met handen breken.
iets niet doen omdat er op dat moment de tijd/middelen niet voor handen zijn
  • Nood breekt wet.
bij moeilijke omstandigheden is er meer geoorloofd
  • Nu breekt mijn klomp.
van verbazing niet meer weten wat te zeggen
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.