schenden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schen·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schenden
schond
geschonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

schenden

  1. overgankelijk iets niet in acht nemen
    • Zijn handelwijze schond een eerdere afspraak. 
  2. te schande maken
  3. bederven, verderven, aantasten, beschadigen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De rechten van iemand schenden.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.