schenden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schen·den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘schade berokkenen’ voor het eerst aangetroffen in 1220 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schenden
schond
geschonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

schenden

  1. overgankelijk iets niet in acht nemen
    • Zijn handelwijze schond een eerdere afspraak. 
    • De Zweedse regering start een landelijke voorlichtingscampagne over wat te doen bij crisis en oorlog. Alle Zweden krijgen een brochure toegestuurd met praktische tips over noodvoorraden, slingerradio's en schuilkelders. De Zweden, geen lid van de NAVO, worden onder meer nerveus van Russische straaljagers die het luchtruim schenden [3] 
  2. te schande maken
  3. bederven, verderven, aantasten, beschadigen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De rechten van iemand schenden.
  • Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht
wie slecht spreekt over zijn familie, spreekt slecht over zichzelf
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen