inbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wanneer inbreken gefilmd wordt...


Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
inbreken inberekend
inbraak ingebroken
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inbreken
brak in
ingebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

inbreken

  1. inergatief zich met geweld een toegang verschaffen
    • Er werd ingebroken en de inbrekers namen een tas mee waar toevallig mijn paspoort in zat. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be