ontbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mankeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 [1]
  • Van Middelnederlands ontbreken, samenstelling van breken (vergelijk gebrek) met het voorvoegsel ont- (2) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontbreken
ontbrak
ontbroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

ontbreken

  1. absoluut niet aanwezig zijn terwijl dit wel zou moeten of verwacht wordt
    • Er ontbrak een bestand op de harde schijf. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen