verbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verbreken
verbrak
verbroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

verbreken

  1. overgankelijk een einde maken aan een bestaande verbinding
    • Hij aarzelde het zegel te verbreken. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.